gewoon
Insigne Natuur & Buitenleven
Dit insigne maakt deel uit van het activiteitengebied Buitenleven.
Het activiteitengebied Buitenleven richt zich op activiteiten rondom het beleven van de natuur en
overleven in de natuur, zoals survival, kennis van plant en dier, milieu, natuurbeheer en weer. Met dit
insigne leer je hoe je op verschillende en uitdagende manieren de natuur kunt verkennen en beleven.
Niveau 1
Niveau 2
Niveau 3
Eis 1
Gebruik materialen uit de natuur
N1
Niveau 1.
Soms heb je een goede schuilplaats nodig om in de natuur te kunnen schuilen.
a. Maak een hut van natuurlijke materialen.
N2
Niveau 2.
Met natuurlijke materialen kun je allerlei gebruiksvoorwerpen maken.
a. Vlecht een muurtje van wilgentenen of rotan en maak deze dicht met klei of leem.
b. Kleur een T-shirt of kussensloop met natuurlijke kleurstoffen in minimaal vier kleuren.
c. Maak drie meter touw van natuurlijke vezels, zoals bramenstruik of brandnetels.
N3
Niveau 3.
De mensheid heeft allerlei ambachten ontwikkeld op basis van wat de natuur te bieden heeft. Voer één van onderstaande eisen uit.
a. Vlecht een mand van wilgentenen.
b. Spin wol en brei er iets van.
c. Maal je eigen graan en bak een brood.
Eis 2
Observatie en weersverwachtingen
N1
Niveau 1.
Meten is weten.
a. Houd tien dagen een weerlogboek bij met de temperatuur, bewolking, zon, windrichting en hoeveelheid regen.
b. Presenteer dit als een weerbericht aan je speltak.
N2
Niveau 2.
Het weer in Nederland wordt systematisch bijgehouden door weerstations.
a. Bezoek een (amateur)weerstation en bekijk de instrumenten en meetmethoden.
b. Presenteer je bevindingen in een collage of foto-overzicht aan je vaste subgroep of speltak.
c. Leg uit hoe een thermometer, barometer en hygrometer werken.
d. Leg uit hoe windkracht, -richting, temperatuur, luchtdruk, regen en luchtvochtigheid worden gemeten.
N3
Niveau 3.
Ook zonder apparaten is het weer te voorspellen aan de hand van signalen die de natuur laat zien.
a. Noem minimaal drie natuurlijke signalen die een weersverandering aangeven en leg ze uit.
b. Noem drie spreekwoorden en gezegden met betrekking tot het weer en leg uit wat ervan klopt.
c. Leg uit hoe wolken ontstaan.
d. Noem zes soorten wolken en leg uit hoe ze van elkaar verschillen en waaraan je ze kunt herkennen.
e. Leg uit hoe windrichting en luchtdruk samenhangen en het weer beïnvloeden.
Eis 3
Bomen, planten en diersporen herkennen
N1
Niveau 1.
Goede kennis van de natuur is belangrijk om hierin te kunnen overleven.
a. Herken alle dierensporen uit het zakboekje voor welpen en teken vijf diersporen na.
b. Maak een klein herbarium met bladeren en bloemen van de planten en bomen op het terrein van jouw Scoutinggroep.
N2
Niveau 2.
De natuur is overal om ons heen, zeker ook rond het clubhuis van je Scoutinggroep.
a. Voer een sporenonderzoek uit. Noteer vijf bomen, vijf (water)planten en vijf (water)dieren.
b. Noteer bij alle bomen, planten en dieren uit je onderzoek enkele kenmerken.
c. Ga de natuur in en onderzoek de aanwezigheid van dieren aan de hand van vraatsporen, prooiresten, woningen en nesten. Verzamel minimaal tien foto's van pootafdrukken of sporen.
d. Breng de levensloop in beeld van een dier dat een transformatie doormaakt, zoals een kikker, vlinder of vogel.
e. Verzamel informatie over het dier dat je hebt gekozen: leefritme, uiterlijke kenmerken, voedsel, vijanden, migratie en voortplanting.
N3
Niveau 3.
Planten en dieren leven niet geïsoleerd, maar maken samen deel uit van hun natuurlijke omgeving.
a. Beschrijf het verschil tussen biotoop, ecosysteem en habitat.
b. Identificeer een biotoop in de buurt van je clubhuis en maak hier een digitale presentatie van (je eigen 'natuurdocumentaire').
c. Loop een hike in een gebied dat duidelijk verschilt van je eigen dorp of stad en beschrijf het gebied.
d. Verzamel tijdens de tocht pootafdrukken, foto's en sporen van minimaal vijftien dieren en tien planten/bomen.
e. Probeer te bepalen welke dieren je onderweg gezien hebt.
f. Waarom komen de planten/bomen en dieren die je onderweg ziet niet voor in jouw eigen dorp of stad?
Eis 4
De invloed van mensen op de natuur
N1
Niveau 1.
Om de natuur te behouden is het belangrijk er goed voor te zorgen en vervuiling te voorkomen.
a. Verzamel zwerfafval rond je clubhuis.
b. Leg uit hoe je dit afval moet scheiden en inleveren.
c. Geef aan welke materialen gerecycled kunnen worden en hoe.
N2
Niveau 2.
De invloed van de moderne mens op de natuur is groot en het is daarom belangrijk ons bewust te zijn van onze impact.
a. Leg uit wat de invloed is van mensen in een natuurgebied, bijvoorbeeld geluid, geur, vuur, honden of afval.
b. Meet je ecologische voetafdruk via de voetafdruktest van het Wereld Natuur Fonds en bedenk wat je zou kunnen doen om je voetafdruk te verkleinen.
c. Kies één: speel met je speltak het ecologische voetafdrukspel 'Ben jij Sus?' en bedenk hoe jullie je voetafdruk tijdens kampen kunnen verkleinen, óf neem deel aan het Plastic Soup Project van Scouts4Science.
N3
Niveau 3.
Er zijn verschillende manieren om de impact op de natuur te verminderen. Kies voor de eisen uit groep 1 of groep 2.
Groep 1: a. Leg uit wat lichtvervuiling is, wat de effecten hiervan zijn op de natuur en het milieu. b. Ga na hoeveel lichtvervuiling er van jullie Scoutinggebouw en -terrein afkomt en maak een plan om hier iets aan te verbeteren. c. Voer de acties die je met je speltak kunt uitvoeren direct uit.
Groep 2: d. Zoek uit wat wordt bedoeld met 'biodiversiteit' en waardoor dit in het algemeen afneemt. e. Noem voorbeelden van afname in biodiversiteit in je eigen woonomgeving. f. Stel een plan op om de biodiversiteit rond het clubhuis te vergroten. g. Voer de acties die je met je speltak kunt uitvoeren direct uit.
Eis 5
Maan en sterren
N1
Niveau 1.
Onze natuur op aarde maakt deel uit van een veel groter 'natuursysteem' met sterren en planeten.
a. Bezoek een planetarium of sterrenwacht.
b. Leg uit waarom de maan soms vol is, soms half en soms niet zichtbaar.
c. Leg uit waarom we altijd dezelfde kant van de maan zien.
N2
Niveau 2.
Ons eigen zonnestelsel werd al eeuwen geleden in kaart gebracht.
a. Leg uit wie de grondlegger is van de theorie over ons zonnestelsel en wanneer die deze theorie heeft aangetoond.
b. Vertel welke planeten later zijn toegevoegd en welke sinds 2006 geen planeet meer is en waarom.
c. Maak een digitale poster met alle planeten, met grootte, temperatuur, ringen, manen en andere kenmerken.
d. Vertel over de acht maanstanden, de invloed van de maan op de getijden, springvloed, maans- en zonsverduisteringen en de invloed van de zon en maan op het leven op aarde.
e. Leg uit wat het noorderlicht is en waarom wij het soms ook in Nederland kunnen zien.
N3
Niveau 3.
Het heelal is oneindig groot. Naar schatting zijn er minstens net zo veel sterren als zandkorrels op de aarde.
a. Maak een sterrenkaart met de poolster, zeven andere opvallende sterren inclusief afstand in lichtjaren, de sterrenbeelden Orion, Cassiopeia, Grote Beer, Kleine Beer, Canis Major en Crux, drie seizoensgebonden sterrenbeelden en drie zichtbare planeten.
b. Leg uit waarom de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem zo bijzonder zijn en hoe ze verbonden zijn.
c. Noem de dichtstbijzijnde ster, de afstand tot de aarde en het sterrenbeeld waar die bij hoort.
d. Leg uit wat vallende sterren zijn en wanneer je ze ziet.
e. Leg uit hoe de aarde draait op haar as en wat de gevolgen zijn voor het leven op aarde.